
De tingieterij
Tingieten is een oud ambacht dat in de 16e en 17e eeuw in ons land zijn hoogtepunt had.
Al zo’n 5000 jaar geleden kenden de Egyptenaren en de Chinezen het gebruik van tin. Ook de Grieken en Romeinen maakten producten van tin, dat bij niet al te hoge temperatuur smelt en gemakkelijk gegoten en gevormd kan worden.
In de Middeleeuwen gaat men op grotere schaal tinnen voorwerpen maken. In het begin vooral voor de Kerk, zoals kandelaars en wijwaterbakjes. Weldra ook voor huishoudelijk gebruik, zoals bier- en wijnkannen, borden, kommen en schalen.
In brede lagen van de burgerij werden gebruiksvoorwerpen van tin gebruikt omdat het goedkoper is dan zilver en koper en niet zo breekbaar is als aardewerk. Tinerts werd in die tijd gedolven in Engeland (Cornwall) en Duitsland. Men verkocht het in ‘broodjes’ of als staven.
Later is vooral het eiland Banka-Billiton in Indonesië bekend geworden voor de levering van tin terwijl tegenwoordig het overgrote deel uit Bolivia komt.
Het Gilde
Als gevolg van de concurrentie probeerden de tingieters hun producten zo goedkoop mogelijk te maken waardoor de kwaliteit van de tinnen voorwerpen achteruit ging. De toevoeging van steeds grotere hoeveelheden lood verslechterde de kwaliteit en maakte het bovendien gevaarlijk voor de gezondheid.
In het belang van de handel trachtte stadsbesturen dit te voorkomen door het oprichten van ‘het tinnegietersgilde’.
De door het stadsbestuur gekozen bovenlieden moesten toezien dat de tingieters zich aan de regels hielden.
Iedere tingieter had zijn eigen tinmerk, dat met een merkhamer in het voorwerp werd geslagen. Op het stadhuis bewaarde men een loden plaat waarop alle merken stonden die door de plaatselijke tingieters werden gebruikt.
Keurmeesters zagen toe dat men zich aan de kwaliteit hield.

De meesterproef
Als men tingieter wilde worden moest men eerst een bepaalde tijd bij een meester tingieter werken als leerling.
De leerling werd dan meestal opgenomen in het gezin van de gieter en leerde het vak van zijn meester.
Wanneer de leertijd afgelopen was, moest de leerling een proef afleggen. Dit kan men zien als een soort examen dat meestal bestond uit het maken van een gietvorm om vervolgens met behulp van deze vorm een product te gieten en af te werken. Slaagde de leerling, dan mocht hij zich vestigen als zelfstandig tingieter. Hiervoor moest een aanzienlijk bedrag betaald worden aan het gilde, dus gingen velen als gezel (meesterknecht) werken bij een reeds gevestigde tingieter.
Tingieter Jos Crommentuijn van ‘Atelier Peelwerk’ legt de proef in 2008 af met het miniatuur van ‘de Gouden Helm’. Hij slaagt met glans en ontvangt van meester tingieter Gert Lebbink het certificaat. Het in turfstrooisel verborgen ‘tinnen gouden helmpje’, inclusief unieke verpakking, is vanaf dat moment de kroon op zijn werk.